Home: ZELFVERTROUWEN.NL
1. Welkom
2. Wat is zelfvertrouwen?
3. Algemene informatie
current item 4. Kinderen
Periodes en taken
Ontwikkeling
-De rol van de omgeving
Verbetering zelfvertrouwen
Basisbehoeften
Rechten van het Kind
5. Jongeren
6. Volwassenen
7. Adressen en Contact
8. Meer informatie
9. Doordenkers
10. Prikbord
11. Je eigen ervaringen
12. Zelfvertrouwen is ...
Leeskring Inspiratie
Colofon
Disclaimer
Ondersteuning
De rol van de omgeving 
 

Elk kind is uniek ...

Ouders spelen ongetwijfeld een erg grote rol bij de stimulering van het zelfvertrouwen bij kinderen. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat ook de persoonlijkheid van het kind van belang is. Zo zullen kinderen die van nature wat gevoeliger voor reacties van anderen en meer op zichzelf gericht zijn, wat sterker op een negatieve wijze naar zichzelf kijken, dan kinderen die hierop niet als zodanig reageren. Daarnaast kun je ook bij de wat oudere kinderen zien dat zij innerlijk op bepaalde gebieden ‘een wedstrijdje’ met zichzelf aan het houden zijn. Ook deze kinderen kunnen soms doorslaan naar onrealistische verwachtingen en doelen. Het gevolg kan zijn een extreem streven naar perfectie, een negatieve zelfwaardering, faalangst en een gebrek aan zelfvertrouwen.

In het algemeen kan men stellen dat kinderen met een positieve zelfwaardering en zelfvertrouwen komen uit een gezin met ouders die deze kinderen accepteren en steunen. Andere kenmerken van deze gezinnen zijn: duidelijke regels en respect en stimulering van activiteiten van het kind.
Kinderen ontwikkelen daarentegen een negatieve zelfwaardering, wanneer zij steeds op hun tekortkomingen gewezen worden of steeds met een ‘model-broertje’ of ‘-zusje’ vergeleken worden.

Rogers (in Engler, 1999) stelt dat het jonge kind twee basisbehoeften heeft. De eerste is een positieve en onvoorwaardelijke acceptatie door anderen, waarbij bij verkeerde gedragingen het kind op deze gedragingen wordt aangesproken en niet het kind zelf als zodanig wordt afgewezen. Een voorbeeld van onvoorwaardelijke acceptatie is (ouder tegen kind): “Je mag niet op de muur schrijven, gebruik daarvoor het schoolbord.” Daarentegen wordt het kind zelf afgewezen, wanneer de ouder tegen het kind zegt dat het een stout en ongehoorzaam kind is.
Na de positieve acceptatie door anderen ontstaat bij het kind volgens Rogers (in Engler, 1999) automatisch een positieve zelfbeleving. Daarom dienen ouders hun kinderen te accepteren en een goede basis te geven, die tijdens de rest van hun ontwikkeling positief zal gaan doorwerken.

Kinderen kunnen geen zelfvertrouwen opbouwen in gezinnen met tè autoritaire ouders of in gezinnen met ouders met erg onvoorspelbaar gedrag. Dit gedrag kan het gevolg zijn van alcoholisme, drugsgebruik of een persoonlijkheidsstoornis. Verder zal het zelfvertrouwen van het kind niet of moeilijk tot stand komen in situaties van (geestelijke en/of lichamelijke) mishandeling, misbruik, overbescherming, verwenning of verwaarlozing (zie ook Karen Horney, 1945).

Behalve ouders zijn er ook anderen, die een belangrijke positieve (beschermende) of negatieve rol in het zelfvertrouwen van het kind kunnen spelen. Te denken valt bijvoorbeeld aan stiefouders, buren, grootouders of andere familieleden en leerkrachten.

Opvattingen van Erikson

Volgens Erik Erikson (in Engler, 1999) groeien kinderen op in een zogenaamde psychosociale omgeving, waarin zij de wereld proberen te begrijpen door een relatie aan te gaan met anderen in hun omgeving. Erikson is van mening dat het sociale aspect een grote rol in het leven van het kind, de jongere en de volwassenen speelt.
Hij maakt onderscheid in acht stadia in een mensenleven. In elk stadium is sprake van een emotionele basis of conflict, dat kinderen op een bepaalde leeftijd ervaren. De stadia volgen elkaar op, dat wil zeggen het geleerde in de ene fase vormt de basis voor de volgende meer complexe fase enzovoorts.

De eerste vier stadia, die in de kinderleeftijd een rol spelen (NB: stadia zijn niet zo leeftijdsgebonden) zijn:

I) Vertrouwen versus Wantrouwen (ongeveer eerste levensjaar): het kind leert in de eerste periode van zijn leven of hij de wereld wel of niet kan vertrouwen. Teveel frustraties, teveel toegeven, te weinig adequate of vijandige reacties kunnen ervoor zorgen dat het kind zijn omgeving als negatief ervaart.

II) Autonomie versus Schaamte en Twijfel (ongeveer tweede en derde levensjaar): het primaire doel in dit stadium is het verkrijgen door het kind van controle (zelfstandigheid/autonomie) over zijn lichaam en zijn activiteiten. Dit in tegenstelling met het ontwikkelen van meer schaamte- en twijfelgevoelens over zichzelf ten aanzien van voornoemde zaken.

III) Initiatief versus Schuldig voelen (ongeveer derde tot vijfde levensjaar): kinderen leren in deze periode om zelf gerichte acties te ondernemen om bepaalde dingen voor elkaar te krijgen. Dit initiatief nemen staat in contrast met gevoelens van schuldig zijn, veroorzaakt door extreme vormen van bestraffing of ontmoediging.

IV) Leren van vaardigheden versus Minderwaardigheid (ongeveer zesde tot elfde levensjaar): kinderen leren in deze periode niet alleen nieuwe vaardigheden (thuis en op school), maar leren ook om activiteiten op een goede manier af te maken. Kinderen, die uit de vorige stadia minder goed zijn gekomen, lopen kans dat ze gevoelens van minderwaardigheid gaan ontwikkelen. Vooral wanneer ze zichzelf gaan vergelijken met zogenaamde betere leeftijdsgenoten.


  Periodes en taken
  Ontwikkeling
  Verbetering zelfvertrouwen
  Basisbehoeften
  Rechten van het Kind



www.confidence.nl